Help! Verbeeldingstekort!

Woensdag 29 september 1999; eerste lesdag voor het 1e jaar Beeldhouwen aan Sint-Lucas te Gent. Ik word 19 jaar en ken hier niemand. Al mijn klasgenoten spreken West-Vlaams en dat geeft hen een letterlijk onverstaanbare verbondenheid waar ik geen deel van uitmaak. Na enkele uren geheim geluk omdat het mijn verjaardag is, kom ik tot de ontdekking dat jarig zijn toch erg samen valt met mensen rondom je die weten dat je dag op dag zoveel jaar geleden geboren bent.

Op de middag heb ik dan toch het lef om op de trap tegen één van mijn klasgenootjes te zeggen dat ik jarig ben. Ze is vriendelijk en nodigt me zowaar uit om ’s avonds mee iets te drinken op het kot van een vriend. Op dat moment weet ik nog niet wat een geste ze doet om een meisje met het gehate Antwerpse accent op een clanonderonsje uit te nodigen. Ik ben blij verrast en ga hierop in. We spreken af voor de avond, ik krijg het adres mee.

In de namiddag heb ik voor het eerst vrij atelier. We krijgen de opdracht een dagelijks gebruiksvoorwerp te vergroten in klei en in ons ontwerp naar een spannende verhouding tussen voorwerp en sokkel te zoeken. Iedereen haalt zijn blanco schetsboek en nieuwe potloden boven, de meeste potloden rondom mij zitten mooi in een doosje gesorteerd van B6 tot H3. En hoewel ik mijn bijna volle schetsboek van vorig jaar boven haal en merk dat ik vandaag enkel nog een balpen ergens in mijn tas heb drijven, laat ik me niet intimideren door het glinsterende artistieke materiaal rondom mij. Ik zie er waarschijnlijk allesbehalve professioneel uit, maar bij het ingangsexamen had ik reeds ontdekt dat dit niets betekende. Met mijn koffielepeltje had ik minstens evenveel in klei uitgericht dan alle West-Vlaamse boetseerspatels en miretten samen. Ik had namelijk het geluk goed te kunnen observeren en een behoorlijk getrainde oog-handcoördinatie te bezitten.

Mijn zelfzekerheid duurt echter niet lang, iedereen rondom mij begint volop te tekenen op de witte vellen papier voor hen. Ik voel een lichte paniek en vraag me af hoe ze dit voor elkaar krijgen, alsof er bij hen een knop inspiratie in hun hoofd ontwikkeld is. Zo een knop die je aan en af kunt zetten gelijktijdig met de lestijden. Mij lukt dat niet, ik heb geen instant verbeelding of inspiratie of alles van die soort. Ik kan bij gezellige avonden niet op ludieke grapjes of leuke opmerkingen komen. Ik heb geen sublieme ingevingen op eerste schooldagen. Help! Een beetje benauwd kijk ik de hoogte in en zie dat ons atelier een prachtig oud lokaal is met een volledig glazen dak die een prachtige lichtinval geeft. Ik hoor gelach en doffe stemklanken waarbij ik even opgehouden ben er Nederlandse woorden in te verstaan. Niet wetend wat gedaan stop ik mijn schetsboek en balpen terug in mijn tas, bekijk vluchtig alle potloodlijnen en arceringen die ik bij mijn klasgenoten zie ontstaan en probeer zo normaal mogelijk het lokaal te verlaten.

Tien minuten later zit ik op mijn kot en zet zachtjes ‘happy birthday to me’ in. Ik zit stil, bekijk de muren die ik vorige week in de drie hoofdkleuren heb gezet en besluit volgende week een reiskoffer mee te nemen als gebruiksvoorwerp voor vrij atelier. Ik voel me hier een eenzame buitenlander.

Inspiratie haal ik uit de realiteit, en dat is vrij letterlijk te nemen. Die realiteit beperkt zich echter niet meer tot mijn eigen gekende leefwereld. Ik ga steeds meer op zoek binnen voor mij nog onbekend terrein. Gewapend met mijn fototoestel zoek ik in werelden die ik tot dan toe enkel van de buitenkant kende mensen en hun verhalen op.

Voor Disco Pigs ging ik het nachtleven in en bezocht verschillende clubs.

Als vooronderzoek bij Dekaloog fotografeer ik momenteel de inwoners van de appartementsblokken op de Groene Briel in Gent.

Dekaloog is de theaterbewerking van het gelijknamige filmscript van de Poolse cineasten Kieslowski en Piesiewicz waar ik momenteel aan werk. De verschillende verhaallijnen van mensen uit een appartementsblok, uit het script, inspireerden mij om de bewoners van een appartementsblok in Gent voor mijn lens te plaatsen. Met hun portretten en verhalen probeer ik de Tien Geboden of de 'Dekaloog' opnieuw samen te stellen.

Niet dat deze mensen nu letterlijk in mijn theaterbewerking voorkomen, maar ik haal bij hen wel kennis van een realiteit die me erg kan inspireren in het maakproces.

Leen Braspenning, september 2008


Deze column van Leen Braspenning verscheen eerder in Huisvlijt#13 - Verbeelding.